• Yoga Filosofie: Ahimsa en Gandhi

  • yoga filosofie yama ahimsa gandhi

    Deze tekst is een werkstuk dat ik heb geschreven toen ik nog Religiewetenschappen studeerde aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Dit paper was een onderdeel van mijn Master Interreligieuze Spiritualiteitsstudies. Vandaar de wetenschappelijke taal!

     

  • Inleiding

    De Bhagavad Gita betekent letterlijk ‘Lied van de Heer’ en is een Hindoestaans werk van 700 versregels. Men schat dat het is opgesteld in de vijfde eeuw voor onze jaartelling, waarna de tekst nog verschillende aanpassingen heeft ondergaan in latere eeuwen. De auteur van de Gita is niet met zekerheid bekend, aangezien bijna alle vroege Indiase literatuur ‘anoniem’ is, maar men kent het auteurschap toe aan Vyāsa, de samensteller van de Mahābhārata. De 18 hoofdstukken van de Gita zijn hoofdstukken 23 tot 40 van de Bhismaparvan van de Mahabharata. Er bestaat veel verschil van mening over de oorsprong van de Gita, omdat het verschillende religieuze en filosofische opvattingen door elkaar gebruikt. Een ding is wél zeker, namelijk dat de Gita een van de meest belangrijke werken is binnen de Hindoestaanse religie, en dat het in hoog aanzien staat naast de Upanishads en de Brahma Sutra's.

    Elk schrift, zo ook de Gita, heeft twee kanten. Aan de ene kant is dat wat geschreven staat tijdelijk en vergankelijk, en behoort het toe aan de mensen van de plaats en tijd waarin het werk geproduceerd is, en aan de andere kant is het eeuwig en onvergankelijk, en kan dat wat geschreven is toegepast worden in alle tijden en alle landen. De waarheden die de Gita bevat kunnen dus telkens weer opnieuw ontdekt en gerealiseerd worden door de lezer. Dit is ook wat er gebeurt: er bestaan veel verschillende interpretaties op de Gita, door een grote diversiteit aan auteurs. De interpretatie die ik zal gebruiken in dit paper is die van S. Radhakrishnan (1888-1975), een professor in de filosofie en president van India van 1962 tot 1967.

    Wat je vaak ziet gebeuren, is dat auteurs de Gita gebruiken om hun eigen religieuze opvattingen en traditie te versterken. De Gita is namelijk geen systematisch uitgewerkte religieuze beschouwing, maar stelt dat de waarheid, waarnaar men op zoek is, niet besloten kan worden in één enkele formule. Het lezen van de Gita geeft toegang tot deze waarheid, maar alleen voor degenen die hier ‘open’ voor staan. Radhakrishnan zegt hierover: “The truths of spirit can be apprehended only by those who prepare themselves for their reception by rigorous discipline. We must cleanse the mind of all distraction and purge the heart from all corruption, to acquire spiritual wisdom.”

    Een belangrijke auteur die meerdere pogingen heeft gedaan tot het interpreteren van de Gita, is Mahatma Gandhi (1869-1948). Gandhi, naar eigen zeggen zeer geïnspireerd door het lezen van de Gita, heeft bovendien niet alleen zijn interpretatie gegeven, maar ook concepten uit de Gita overgenomen ter bevordering van zijn politieke strijd. Het meest bekende concept ingezet door Gandhi is natuurlijk ahimsa, geweldloosheid, het onderwerp van dit paper. Mijn vraagstelling is: In hoeverre komt Gandhis begrip van ahimsa nog overeen met het begrip ahimsa uit de Gita?

  • Inhoud van de Gita: het verhaal

    De Gita speelt zich 5000 jaar geleden in India af, en vertelt het verhaal van Arjuna, een krijger van de Ksatriya kaste, die vlak voor de aanvang van de grote veldslag van Kurukshetra twijfels krijgt over de juistheid van zijn acties. Arjuna staat op het slagveld namelijk tegenover zijn eigen vrienden en familie. Dit drijft hem tot wanhoop, en hij roept Krishna aan om niet te hoeven vechten:

  • Why should we not have the wisdom to turn away from this sin, O Janārdana (Krsna), we who see the wrong in the destruction of the family?

    Gita 1:39

  • Krishna antwoordt hem dat het zijn plicht als krijger is om te vechten, en moedigt hem aan het juiste te doen volgens zijn eigen dharma. Daarnaast onderwijst Krishna Arjuna in ‘brahmavidya’ en ‘yogasastra’, achtereenvolgens de wetenschap van de realiteit en de methode tot eenwording met deze realiteit.

    Er worden drie vormen van yoga genoemd in de Gita: (1) Karma-yoga, de weg van de handeling of actie, waar de eigen wil ondergeschikt wordt gemaakt aan de goddelijke wil. (2) Bhakti-yoga, de weg van devotie, van aanbidding en liefde voor de godheid. (3) En tot slot Jnana-yoga, de weg van kennis en inzicht over de ware aard van de realiteit. Deze verschillende vormen van yoga zijn elk toepassingen van innerlijke discipline die leiden tot de bevrijding van de ziel en verschillende zienswijzen met betrekking tot de eenheid en de betekenis van het leven. Arjuna is zoekende naar deze kennis; hij twijfelt over de juistheid van zijn bestaan, hij twijfelt welke weg de juiste is en zijn bewustzijn is geheel in verwarring gebracht door de omstandigheden. Alleen de leringen van Krishna kunnen hem nog uitkomst bieden.

    Het doel van de leringen van Krishna is door middel van actie, kennis en devotie een staat van spirituele vrijheid bereiken: “The state of spiritual freedom consists in the transformation of our whole nature into the immortal law and power of the divine. (…) Liberation is not the isolation of the immortal spirit from the mortal human life but is the transfiguration of the whole man. It is attained not by destroying but by transfiguring the tension of human life.” De Gita eindigt met een volledig overtuigde en verlicht geraakte Arjuna die nu met volledige zelfbeheersing de strijd met zijn familie kan aangaan. In de rest van de Mahabharata die hierop volgt, overleven alleen hijzelf, Krishna en zijn broers de oorlog. Hiermee breekt een nieuw tijdperk aan; het Kali Yuga.

  • Gandhi’s biografie in het kort

    Mohandas Gandi is geboren in 1869 in het toentertijd Britse India. Hij studeerde rechten in Londen, waarna hij naar Zuid-Afrika ging, waar hij 20 jaar vocht tegen rassendiscriminatie. Hij richtte de Satyagraha-beweging op, die weerstand bood tegen onderdrukkers door middel van acties van burgerlijke ongehoorzaamheid. In 1914 keerde hij terug naar India. Daar zette hij zich in tegen onderdrukkende belastingheffingen, discriminatie, armoede, ongelijkheid van vrouwen en kaste-discriminatie. Zijn acties lieten zijn tegenstanders niet onbewogen; de jaren 1922 tot 1924 heeft hij in de gevangenis doorgebracht. Dit weerhield hem echter niet om door te gaan met zijn acties, en in 1930 hield hij de beroemde zoutmars: Hij liep 320 km naar de zee om daar zout te verzamelen en te verkopen, als protest tegen het handelsmonopolie van de regering. In 1931 werd hij opnieuw vrijgelaten uit gevangenschap. Gandhi werd de politieke en ideologische leider van de Indiase onafhankelijkheidsbeweging en hielp India in 1947 onafhankelijkheid te bereiken. Kort na de onafhankelijkheid probeerde hij in Bengal een conflict tussen Hindoes en Moslims te stoppen, maar werd hij vermoord door de Hindoestaan Nathuram Godse. Lang na zijn dood inspireert Gandhi nog mensenrechtenbewegingen en vrijheidsbewegingen over de hele wereld.

  • Gandhi en de Gita

    De Gita was een belangrijk religieus werk voor Gandhi. Gandhi begon met het vertalen van de Gita in gevangenschap in 1923, dit boek werd gepubliceerd in 1930. Hij heeft daarna nog verschillende commentaren geschreven op de Gita; in 1946 werd de eerste Engelse vertaling van zijn interpretatie van de Gita gepubliceerd. Hij heeft zo een groot publiek kunnen bereiken met zijn eigen visie op de Gita.

    Gandhi gebruikte de Gita om uit te citeren, om argumentaties meer kracht bij te geven; en het terugverwijzen naar de Gita maakte het bovendien zo, dat zijn argumentatie en visie voor onafhankelijkheid op een hoger niveau van waarheid werden gezet. Kort gezegd werd Gandhi's missie door het gebruik van de Gita ook een spirituele missie.

    Gandhi gebruikte de Gita dus als bron van inspiratie voor de grondlegging voor de sociale en politieke transformatie die hij voltrokken wilde zien. Hij was vooral erg ingenomen met het tweede hoofdstuk: “The last nineteen verses of the second chapter have since been inscribed on the tablet of my heart. They contain for me all knowledge.” In het tweede hoofdstuk wordt namelijk beschreven hoe je controle krijgt over het innerlijke zelf. Het gaat over de bevrijding van passie, angst, woede en het meester worden over de zintuigen, de mind (gedachten) en het ego. Dit is wat Gandhi meeneemt uit de Gita; hoe je door ethisch en moreel handelen de emoties kunt zuiveren, en controle krijgt over het zelf - controle die nodig is om het doel te bereiken dat hij voor ogen heeft, zowel op spiritueel niveau, als op wereldlijk niveau. De Gita bood Gandhi manieren om zijn angsten te overwinnen, gelijkmoedigheid te bereiken, om perfecte controle over zichzelf te verkrijgen, en gaf hem uiteindelijk ook de inspiratie om al zijn bezittingen op te geven en zich geheel in te zetten voor de samenleving. Voor Gandhi was het hoogste doel in het leven het bereiken van de Waarheid, voor hem het synoniem voor God. This truth is not only truthfulness in word, but truthfulness in thought also, and not only relative truth in our conception, but the Absolute Truth, the Eternal Principle, that is God.”

    Gandhi’s eigen spirituele opvattingen en ontwikkeling, en zijn sociale en politieke strijd, zijn zoals uit het bovenstaande blijkt, niet los van elkaar te zien. Zijn zoektocht naar de waarheid maakte hij het uitgangspunt van zijn beweging van sociale hervorming (Satyagraha: satya betekent waarheid, agraha vasthouden aan). Het doel van deze beweging was 'vechten' voor de onafhankelijkheid van India door middel van vreedzame protestacties als boycotten en acties van burgerlijke ongehoorzaamheid. Naast principes als waarheid, vrij zijn van angst, kuisheid, en controle over de spraak, was ahimsa, geweldloosheid, voor Gandhi het belangrijkste uitgangspunt in deze beweging:

  • The function of violence is to obtain reform by external means; the function of passive resistance, that is, soul fource is to obtain it bij growth from within; which, in its turn, is obtained by self-suffering, self-purification.

    Gandhi

  • Het streven naar een staat van controle over het zelf, door middel van een uiterlijke discipline (zoals beschreven in de Gita), zag hij als een noodzakelijkheid om op een passieve manier weerstand te kunnen bieden. Hij verzamelde mensen om zich heen die zijn filosofie ook leefden en probeerde op een vreedzame manier, zonder gebruik van gewelddadige middelen, weerstand te bieden tegen onrechtvaardigheden in de samenleving. Deze actieve geweldloosheid betekende niet slechts het zich weerhouden van geweld in woord en daad, maar ook een actief liefhebben van vriend en vijand, en een houding van dienstbaarheid tegenover de samenleving.

    Gandhi’s interpretatie van de Gita was zeer gekleurd door zijn politieke en persoonlijke doelen en opvattingen, en omgekeerd. Wanneer een campagne faalde, dan lag dat aan de deelnemers, die zich de boodschap van de Gita nog niet voldoende eigen hadden gemaakt. Politieke transformatie zou alleen plaatsvinden wanneer de betrokkenen een voldoende gecultiveerd en gedisciplineerd leven leidden; zonder de innerlijke controle zou men ook in de uiterlijke wereld de gestelde doelen niet bereiken: “Emancipate your own self… In your emancipation is the emancipation of India.”

  • Het concept ahimsa in de Gita

    Het concept ahimsa wordt in de Gita driemaal genoemd:

  • Non-violence, equal-mindedness, contentment, austerity, charity, fame and ill-fame (are) the different states of beings proceed from me alone.

    Gita 10:5

  • Humility (absence of pride), integrity (absence of deceit), non-violence, patience, uprightness, service of the teacher, purity (of body and mind), steadfastness and self-control.

    Gita 13:7

  • Non-violence, truth, freedom from anger, renunciation, tranquility, aversion to fault finding, compassion to living beings, freedom from covetousness, gentleness, modesty and steadiness (absence of fickleness).

    Gita 16:3

  • Ahimsa wordt in de Gita dus samengenomen met vele andere goede karaktereigenschappen, die zogezegd goddelijk zijn (10:5). Ahimsa is dus een goddelijke deugd die een goed en vroom mens bezit of zich door beoefening eigen maakt. Maar hoe kan het nu, dat een stuk dat zich afspeelt in oorlogstijd, en waarin de godheid (Krishna) de hoofdpersoon (Arjuna) aanmoedigt tot het doorgaan met de veldslag, tegelijkertijd ook de deugd van geweldloosheid uitdraagt?

    Gandhi lost dit op de volgende manier op. Hij ziet de Gita niet als een historisch werk, hij ziet de strijd op het slagveld als een allegorie voor de strijd die zich in ieder mens afspeelt, namelijk de strijd tussen goed en kwaad. Men moet de Gita, aldus Gandhi, niet letterlijk nemen, maar de metaforische betekenis die besloten ligt in de tekst proberen te ontcijferen.

  • I regard Duryodhana and his party as the baser impulses in man, and Arjuna and his party as the higher impulses. The field of battle is our own body. An eternal battle is going on between the two camps and the poet seer has vividly described it. Krishna is the Dweller within, ever whispering in a pure heart.

    Gandhi

  • Maar de allegorische uitleg die Gandhi hier geeft is echter niet heel plausibel: De oorlog wordt tot in de kleinste details beschreven, er worden zoveel strijders bij naam genoemd, en de gebeurtenissen spelen zich allemaal af binnen het narratief van oorlog.. Het móet hier wel gaan om een daadwerkelijke oorlog. Daarbij, wanneer het element van oorlog in zijn geheel zou worden afgewezen als een pure allegorie, dan zou de Gita al zijn relevantie verliezen binnen de context van de MahabharataEen laatste argument, dat het hier wel moet gaan om een werkelijke oorlog, is dat wanneer Arjuna weigert, Krishna hem toch aanmoedigt om te vechten, en hiervoor het argument gebruikt dat de ziel onvergankelijk is, en niet ten onder zal gaan op het slachtveld:

  • Know thou that that by which all this is pervaded is indestructible. Of this immutable being, no one can bring about the destruction.

    Gita 2:17

  • It is said that these bodies of the eternal embodied (soul) which is indestructible and incomprehensible come to an end. Therefore fight, O Bhārata (Arjuna).

    Gita 2:18

  • He who thinks that this slays and he who thinks that this is slain; both of them fail to perceive the truth; this one neither slays nor is slain.

    Gita 2:19

  • He is never born, nor does he die at any time, nor having (once) come will he again cease to be. He is unborn, eternal, permanent and primeval. He is not slain when the body is slain.

    Gita 2:20

  • Het is duidelijk dat het hier dus gaat over een letterlijke veldslag, waaraan men kan deelnemen zonder dat de ziel erdoor geraakt wordt. Geweld is een onderdeel van de ‘gewone’ wereld, waar je niet aan ontkomt zolang je nog gehecht bent aan de wereld. Je hoort niet te vluchten van je verplichtingen, maar ze onder ogen te zien en ze aan te gaan; alleen de onthechte ziel is vrij van deze strijd. Arjuna is duidelijk gehecht aan zijn familie en het leven, en hij wil ontsnappen aan het strijdveld dat voor hem ligt. Krishna weerhoudt hem hiervan, door hem te laten zien dat het zich slechts allemaal op het wereldlijke vlak afspeelt. Er is dus geen sprake van een allegorie van een hoger en lager zelf zoals Gandhi oppert, maar van een voorbeeldsituatie: Arjuna staat in het leven voor een moeilijke keuze, en wil zich hieraan onttrekken. Krishna adviseert hem echter zijn plicht te vervullen, en biedt hem de kennis aan om dit op de juiste manier te kunnen doen.

  • The dweller in the body of every one, O Bhārata (Arjuna), is eternal and can never be slain, therefore thou shouldst not grieve for any creature.

    Gita 2:30

  • Further, having regard for thine own duty, thou shouldst not falter, there exists no greater good for a Ksatriya than a battle enjoined by duty.

    Gita 2:31

  • But if thou doest not this lawful battle, then thou wilt fail thy duty and glory and will incur sin.

    Gita 2:33

  • Treating alike pleasure and pain, gain and loss, victory and defeat, then get ready for battle. Thus thou shall not incur sin.

    Gita 2:38

  • Arjuna behoort tot van de kaste van de Ksatriyas, die ‘gemaakt/geboren’ zijn om te vechten. Oorlog voeren wordt in de Gita ondersteund door Krishna omdat het behoort tot een van de plichten van een Ksatriya. Hier kan uit afgeleid worden dat iedereen moet doen wat voor hem of haar het juiste is, binnen ethische richtlijnen uiteraard. Dit wordt met de volgende woorden omschreven in de Gita:

  • Therefore let the scripture be thy authority for determining what should be done and what should not be done. Knowing what is declared by the rules of the scripture, thou shouldst do thy work in this world

    Gita 16:24

  • Oorlog en ahimsa, hoe gaan deze toch samen

    Op bovenstaande manier beschouwd, namelijk dat het Arjuna’s plicht is te vechten, is het mogelijk om vechten in een oorlog te verenigen met het bezitten van deugdzame eigenschappen. Let wel, een oorlog is alleen rechtvaardig wanneer het gaat om bestraffing van onrecht en herstellen van de vrede. Voor de Gita is het dus moreel juist om de wapens op te nemen uit zelfverdediging en zelfbescherming. Niet met gevoelens van haat, maar met rechtschapenheid en gelijkmoedigheid, vecht Arjuna uiteindelijk toch. Zelfs Gandhi was geen voorstander van passieve acceptatie van onrecht, en in sommige situaties adviseerde hij ook het gebruik van geweld: “Better far than cowardice is killing and being killed in battle.” 

    Maar is het nu niet beter, om te allen tijde te kiezen voor geweldloosheid? Arjuna beroept zich op een extreme vorm van geweldloosheid, maar Krishna wijst dit af:

  • Far better would it be for me if the sons of Dhrtarāstra, with weapons in hand, should slay me in the battle, while I remain unresisting and unarmed.

    Gita 1:46

  • Krishna wijst dit af. Hij adviseert Arjuna te vechten zonder passie, zonder woede of gehechtheid, omdat in een dergelijke stabiele staat men volledig vrij is van geweld. De bindende kwaliteit van een actie ligt namelijk niet in de uitvoering van de actie, maar in de intentie achter de handeling. En afstand doen van actie, is niet hetzelfde als werkelijk onthecht zijn. Wanneer men vrij is van verlangens en emoties achter de handeling, heeft de actie geen bindende gevolgen. “If our life is based on ignorance, however altruistic our conduct may be, it will be binding. The Gita advocates detachment from desires and not cessation from work.” Het gaat dus niet slechts om het afstand doen van het wereldlijke leven (renunciation); het gaat erom niet gehecht te zijn of raken aan handelingen en de resultaten van handelingen (renunciation ín action).

    Concluderend is de Gita een gewelddadig stuk, zoals het leven op aarde dit wellicht ook is, maar biedt het handvatten om tot bevrijding te komen van deze wereld. De boodschap van de Gita is dat je je niet moet onthouden van actie, maar moet handelen naar je plichten, en je je niet moet hechten aan de uitkomst van de handeling. Acties waarbij je een ander (schijnbaar) geweld aandoet, hoeven dus niet per definitie vermeden te worden; geweldloosheid bevindt zich niet in, maar achter de handeling. Extreme geweldloosheid is niet het doel.

    Een voorbeeld van extreme geweldloosheid is de praktijk van het Jain-geloof; waarin men een totale onthouding van het kwetsen van ander leven nastreeft, zodanig dat men zichzelf bijna alles moet ontzeggen. Deze mensen eten vegetarisch, aangezien het doden van een dier een vorm van geweld is. Maar hier houdt het niet op, want een plant oogsten is uiteindelijk ook een vorm van geweld naar de plant toe. Daarom eten ze alleen wat de natuur hen gééft (zoals fruit en noten die van de boom vallen). En het gaat nog verder: Een insect per ongeluk doden is het geweld aandoen, per ongeluk op een beestje stappen kan dus niet! Sommige Jains dragen om deze reden geen kleding en vegen de straat schoon alvorens ze hierop lopen. Maar zelfs dan is er geen garantie voor totale geweldloosheid. Want het lichaam alles ontzeggen wat het nodig heeft, de juiste voeding bijvoorbeeld, of kleding, is ook een vorm van geweld naar jezelf toe. Je kunt dus proberen te streven naar totale geweldloosheid, maar op wereldlijk niveau is dit praktisch onmogelijk. Maar als absolute geweldloosheid niet mogelijk is, wat wordt er dan bedoeld met ahimsa? Wat betekent het om waarlijk geweldloos te zijn?

  • De betekenis van ahimsa

    Het begrip ahimsa komt niet alleen voor in de Gita. Ook in de Yoga Sutra’s van Patanjali, uit de tweede eeuw na onze jaartelling, wordt er een korte beschouwing over geweldloosheid gegeven. In de Yoga Sutra’s is ahimsa onderdeel van de yama’s, de geloften van zelfonthouding. Dit zijn geweldloosheid, waarheid, niet-stelen, kuisheid, en hebzuchtloosheid. Ook worden de gevolgen van een perfecte beheersing van deze geloften omschreven. Patanjali omschrijft het gevolg van perfecte geweldloosheid als volgt:

  • Als men stevig gegrondvest is in geweldloosheid, is er het opgeven van (alle) vijandigheid in (zijn) bijzijn.

    De Yoga Sutra's van Patanjali 2:35

  • Ahimsa is dus niet slechts de afwezigheid van geweld, maar betekent een vreedzame houding ten opzichte van alle levende wezens, gebaseerd op de herkenning dat alle vormen van leven voortkomen uit dezelfde bron, en daarom aan elkaar gelijk zijn. Het is dus niet slechts een negatieve houding van niet schadelijk willen zijn voor anderen of de omgeving, maar een positieve houding van universele liefde tegenover alles wat leeft. Wanneer iemand het ideaal van ahimsa tot in de perfectie beheerst, is deze persoon verzadigd met liefde en innerlijk in harmonie met alle levende wezens. Iedereen die met deze persoon in aanraking komt, zal zo vervuld zijn door deze liefde en vriendelijkheid, dat alle haat en wroeging (tijdelijk) zal worden opgegeven.

    Dit is het eindpunt echter, van een lange spirituele weg. Voordat je hier arriveert, moet ahimsa continue geoefend worden, in elke situatie weer. Een goed onderscheidingsvermogen is nodig, om in elke situatie de juiste handeling te weten, die het dichtst staat bij ware geweldloosheid. Er is namelijk geen vaststaande formule van geweldloosheid; voordat je een constante en stabiele staat van innerlijke vrede bereikt moet je al je gedachten, emoties, woorden en daden analyseren, voordat je handelt naar het beste (en hopelijk juiste) inzicht. Want hoe en wat voor schade men toebrengt met een handeling, al dan niet met een goede intentie, is in elke situatie niet even duidelijk te overzien. “It is only the people of discriminative intellect who are said to be competent to assess a situation directly and decide the right course of action in a given situation.” De Gita geeft een omschrijving van de kwaliteiten van een persoon die over wijsheid en een stabiele intelligentie bezit:

     

  • He whose mind is untroubled in the midst of sorrows and is free from eager desire amid pleasures, he from whom passion, fear, and rage have passed away, he is called a sage of settled intelligence.

    Gita 2:56

  • Concluderend is de staat van ahimsa dus een interne staat, een ononderbroken gevoel van liefde en eenheid met de wereld, stabiel genoeg zodat noch geluk noch ongeluk deze staat van zijn kunnen doorbreken. Dit is de staat van zijn die Ajurna moet bereiken wil hij zijn plicht als krijger kunnen vervullen zonder hierdoor van slag te raken.

     

  • Gandhi’s ahimsa

    We hebben gezien dat de ideeën van Gandhi gebaseerd zijn op eeuwenoude inzichten. Ook is zijn zoeken naar de Waarheid en zijn streven naar een staat van geweldloosheid oprecht geweest. Waar hij volgens critici de fout ingaat echter, is dat hij het principe van geweldloosheid vast gaat stellen en op deze manier een concept dat voor elke situatie opnieuw bezien zou moeten worden, dogmatisch en tot een wapen maakt. Een wapen dat hij te pas en te onpas gebruikte in situaties waarin hij dit wenselijk achtte. Dit is waar tegenstanders van de geweldloosheidspolitiek van Gandhi op inhaken. Een van hen is Sri Aurobindo, en dit zijn twee van zijn uitspraken over de passieve weerstandsacties van Gandhi en zijn concept van geweldloosheid:

  • That is one of the violences of the Sayagrahi that he does not care for the pressure which he brings on others. It is not non-violence – it is not ‘Ahimsa’. True Ahimsa is a state of mind and does not consist in physical or externa action or in avoidance of acton. Any pressure in the inner being is a breach of Ahimsa. For instance, when Gandhi fasted in the Ahmedabad mill-hands’ strike to settle the question between mill-owners and workers, there was a kind of violence towards others. The mill-owners did not want to be responsible for his death and so they gave way, without of course, being convinced of his position. It is a kind of violence on them. But as soon as they found the situation normal they reverted to their old ideas. The same thing happened in South Africa. He got some concessions there by passive resistance and when he came back to India it became worse than before.

  • What one can do is to transform the spirit of violence. But in this practice of Satyagraha it is not transformed. When you insist on such a one-sided principle, what happens is that cant, hypocrisy and dishonesty get in and there is no purification at all. Purification can come by the transformation of the impulse of violence, as I said. In that respect the old system in India was much better: the man who had the fighting spirit became the Kshatriya and then fighting spirit was raised above the ordinary vital influence. The attempt was to spiritualize it. It succeeded in doing what passive resistance cannot and will not achieve. The Kshatriya was the man who would not allow any oppression, who would fight it out and he was the man who would not oppress anybody. That was the ideal.

    Sri Aurobindo

  • De actieve geweldloosheid van Gandhi is misschien wel gebaseerd op het concept van ahimsa, maar wijkt er dusdanig vanaf, dat het zelfs een middel van geweld wordt. Gandhi streefde naar een stabiele staat van intellect, en van wijsheid, maar zijn verlangen naar een onafhankelijk India voerde de boventoon. Hij bereikt met zijn acties wat hij ermee wilde bereiken, en een vrij India is het gevolg. Maar een waarlijk ahimsa, een innerlijke staat van liefde en vrede, is dus niet hetzelfde als het begrip van geweldloosheid waarmee Gandhi velen inspireerde. 
  • Conclusie

    Gandhi was zelf zeer geïnspireerd door de Gita, en probeerde te leven naar zijn eigen interpretatie ervan. Het concept ahimsa heeft hij toegepast voor eigen doeleinden, om zijn eigen verlangen van een vrij India te kunnen verwezenlijken. Deze vorm van 'actieve ahimsa' werd zo opnieuw een vorm van geweld, een manier om verandering te kunnen brengen in het politieke klimaat van die tijd. Uit het voorbeeld van Gandhi blijkt dat voor een juiste interpretatie van een religieus geschrift als de Gita waarlijk inzicht nodig is; de onderliggende boodschap is alleen toegankelijk voor diegenen met een goed ontwikkeld onderscheidingsvermogen. In de verkeerde handen, kan het beroepen op een religieus werk ter inspiratie of zelfs ter legitimatie van bepaalde acties zeer schadelijk zijn.

    Er moet dus een duidelijk verschil gemaakt worden tussen universele waarden op spiritueel niveau en het ‘toepassen’ van deze universele waarden op een werelds niveau. Ahimsa is een waarde om naartoe te werken, niet een waarde om als idee in te zetten voor eigen doeleinden. Een spirituele waarde kan niet tot een algemeen principe worden gereduceerd. Dit is het concept zelf geweld aandoen. Of zoals Sri Aurobindo het stelt: “You can live it in spiritual life, but to apply it to all life is absurd”.

    Het interpreteren en het opnieuw toepassen van eeuwenoude wijsheid is dus een moeilijke aangelegenheid. Dit is de reden waarom sommigen een groot man als Gandhi kennen als een man die mensen bevrijdde zonder geweld te gebruiken, maar anderen Gandhi zien als een man die kost wat kost zijn doel probeerde te bereiken, onder het mom van een valse geweldloosheid. Er bestaan nu eenmaal geen absolute waarheden op werelds niveau.

  • KoppedrayerK. Gandhi’s autobiography as commentary on the Bhagavad Gita
    In: International 
    Journal of Hindu Studies (vol. 6 nr. 1, 2002), p. 47-73.

    Radhakrishnan, S. The Bhagavadgita. Harper Collins Publishers, India (2010).

    Taimni, I.K. De yoga sutra’s van Patanjali. Uitgeverij der Theosofische Vereniging, Amsterdam (2004).

    UpadhyayaK. N. The Bhagavad Gita on War and PeaceIn: Philosophy East and West (vol. 19 nr. 2, 1969), p. 159-169.